Zelf bloedglucose meten. Wat heb je nodig?

Naar schatting hebben bijna een miljoen Nederlanders diabetes. Een deel weet dit zelf (nog) niet. Diabetes komt in 2 varianten: type 1 en type 2. Type 1, vroeger vaak aangeduid als jeugddiabetes, komt in 10 procent van de gevallen voor. Hier maakt het lichaam helemaal geen insuline meer aan. Mensen met diabetes type 1 moeten daarom dagelijks insuline spuiten of een insulinepomp dragen die automatisch insuline toedient.

Type 2 diabetes komt veel vaker voor, in 90 procent van de diabetesgevallen betreft het type 2, en kan veroorzaakt worden door slechte voeding en weinig bewegen. Dit werd voorheen vaak ouderdomsdiabetes genoemd. Bij type 2 diabetes maakt het lichaam nog wel insuline aan maar te weinig. Ook reageert het lichaam niet goed op de insuline, we noemen dit ongevoeligheid voor insuline. Ook bij diabetes type 2 kan insuline worden gespoten, maar vaak dient ook het voedingspatroon te worden aangepast of moeten medicijnen gebruikt gaan worden.

Diabetici zijn dus afhankelijk van insuline. Maar hoe weet je hoeveel insuline er toegediend moet worden? Dit gebeurt eigenlijk altijd door een bloedglucosemeting uit te voeren. Uit deze meting blijkt het glucosegehalte. Dit kan via een arts maar veel vaker doen diabetici dit gewoon zelf. Laten we eens kijken wat er nodig is voor een glucosemeting.

Glucosemeter

Allereerst is er een apparaat nodig dat meet, of analyseert. Je meet bloedglucose aan de hand van een druppel bloed. Die druppel bloed wordt in een glucosemeter getest. Zo’n meter is een handzaam klein apparaatje dat vrij voordelig is. Binnen 5 seconden geven veel meters het resultaat al. Dit resultaat is af te lezen van het display. Daar verschijnt simpelweg een nummer op. Glucosemeters komen in veel varianten. Er zijn een tiental dominante merken op de Nederlandse markt. Bij een glucosemeter draait het om betrouwbaarheid, de metingen mogen niet al te veel afwijken van een laboratoriumbepaling voor bloedglucose. Let op het ISO keurmerk, dit geeft aan de meting niet te veel afwijkt van een laboratoriummeting.

Diabetes teststrips

Teststrips

Een glucosemeter alleen is niet genoeg. Het bloed dat in de glucosemeter geanalyseerd wordt moet op een teststrip ingevoerd worden. De teststrip is een klein strookje waarop je een druppeltje bloed legt. Die strip schuif je in de glucosemeter.
Iedere meter kent een bepaalde type teststrip. En sommige merken hebben verschillende soorten strips. De teststrips zijn dus niet uitwisselbaar. Dit houdt in dat je bij de aanschaf van een meter ook rekening moet houden met de teststrips. Teststrips zijn voor eenmalig gebruik.

Lancetten & prikpen

Om bloedglucose te meten is er dus een druppel bloed nodig. Die prik je zelf (en vrijwel pijnloos) met een lancetje: een scherp naaldje waarmee je de huid van de vinger doorboort. Het lancet gebruik je met een prikpen, zo wordt het handzamer en kun je verschillende prikdieptes instellen. Je hoeft gelukkig niet diep te prikken om een druppel bloed te verkrijgen. Ook lancetten zijn voor eenmalig gebruik. De prikpen is uiteraard te blijven gebruiken.

Zelf bloedglucose meten is eenvoudig en is voor veel diabetici dagelijkse kost. De viereenheid van glucosemeter, teststrips, lancet en prikpen is eigenlijk altijd nodig. Bij de aanschaf een een glucosemeter kun je het best ook direct teststrips en lancetten evalueren. Je blijft ze namelijk nodig hebben.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *